Studiemiddag Nederlands Psychoanalytisch Genootschap CG Jung
Amsterdam, 23 maart 2024
door Sander Nieuwenhuizen
In het boek Dromen, Sprookjes, Mythen (oorspronkelijke titel The Forgotten Language, 1951) plaatst Erich Fromm de Oedipus mythe van Sophocles in heel ander kader.

Allereerst bestrijdt hij het idee van Freud dat de mythe van Oedipus geïnterpreteerd moet worden als de verbeelding van een urgente drive om met de moeder te slapen en de vader te vermoorden. In het kort stelt hij dat het niet de wens was van Oedipus om met zijn moeder te slapen. Hij kreeg koningin Jokaste als een soort bonus erbij toen hij het raadsel van de sfinx had opgelost en zo Thebe had bevrijd van de plagen die haar teisterden. Omdat hier niet van een bewuste wens sprake is vindt Fromm de interpretatie van Freud (veel) te kort door de bocht:
“moeten we geloven dat een mythe , waarvan het kernthema de incestueuze relatie tussen moeder en zoon, het element van de erotische aantrekking tussen de twee geheel zou weglaten?”
Bovendien doet het geen recht aan de hele Oedipus mythe die uit drie delen bestaat. Freud baseerde zijn theorie, die Fromm dus in zijn kern al verwerpt, slechts op het eerste deel, Koning Oedipus. Maar er zijn nog twee delen: Oedipus te Kolonos en Antigone. Als we de hele trilogie van Sophocles bekijken dan komt er, volgens Fromm, een heel andere thematiek en interpretatie naar boven.
Volgens Fromm gaat de mythe niet over seksualiteit maar is het voornaamste thema de houding ten opzichte van het gezag, een van de fundamentele aspecten van intermenselijke relaties.
Hij formuleert zijn hypothese als volgt: “dat de mythe kan worden opgevat als een symbool niet van de incestueuze liefde tussen moeder en zoon, maar van het in opstand komen van de zoon tegen de autoriteit van de vader in de patriarchale familie; dat het huwelijk van Oedipus en Jokaste slechts secundair is, alleen een van de symbolen van de overwinning van de zoon, die zijn vaders plaats inneemt en hiermee al zijn privileges.”

Fromm stelt dat als we hele Oedipus mythe bekijken, dus de drie tragedies van Sophocles, dan komt het conflict tussen vader en zoon als centrale thema naar voren. In Koning Oedipus doodt Oedipus zijn vader Laïos. In Oedipus te Kolonos geeft Oedipus uiting aan zijn intense haat tegen zijn zonen en in Antigone gaat het om dezelfde haat maar nu tussen Kreon en zijn zoon Haimon.
Het incestprobleem komt overigens ook niet aan de orde in deel twee, tussen de zonen van Oedipus en hun moeder, noch in deel drie tussen Haimon en zijn moeder Euridice.
Fromm gaat vervolgens dieper in op deel drie, Antigone, en de verhouding tussen Kreon en zijn zoon Haimon. Kreon vertegenwoordigt de strenge autoriteit in de familie en in de staat. Haimon rebelleert tegen deze autoriteit. Deze rebellie plaatst Fromm in het kader van een strijd die ver teruggaat, die tussen patriarchale en matriarchale maatschappijvormen.
Fromm baseert zich hier op Bachofen die in zijn boek Mutterrecht (1861) uiteenzette hoe in het begin van de mensheid, toen alle seksuele relaties nog promiscue waren, en dus de enige zekerheid was wie de moeder van een kind was, dat deze zekerheid de basis was van het familierecht en dat de vrouw daarmee “de autoriteit en wetgeefster was”. “en dat zij zowel in de familie als in de grotere gemeenschap de heerschappij had”. Bachofen onderzocht oude religieuze documenten van de Grieken en de Romeinen en vond dat voor de Olympische goden er een religie was waarbij godinnen en moederfiguren de allerhoogste godheden waren.
In een langdurig historisch proces versloegen de mannen de vrouwen die zich aan hen onderwierpen. De mannen maakten zich zo de heersers van de sociale hiërarchie. Daarmee ontstond de patriarchale samenleving die gekenmerkt werd door monogamie (voor de vrouwen, zoals Fromm opmerkt), de autoriteit van de vader en de dominerende rol van mannen in een hiërarchisch georganiseerde maatschappij.
Iets meer over die strijd tussen en overgang van de matriarchale naar de patriarchale maatschappij. Fromm vat het op het onderzoek van Bachofen samen als hij beschrijft dat het hier om meer gaat dan sociale suprematie, namelijk om sociale en morele principes: “De matriarchale cultuur die wordt gekenmerkt door de nadruk, gelegd op de banden van het bloed, de gebondenheid aan de bodem en een passieve aanvaarding van de natuurwetten. De patriarchale maatschappij daarentegen wordt gekenmerkt door het respect voor door de mensen gemaakte wetten, door het overheersen van het rationele denken en door de pogingen van de mens, de natuurlijke verschijnselen te veranderen”.
Alhoewel deze patriarchale principes voor de beschaving een vooruitgang betekenen waren de matriarchale principes in een ander opzicht superieur aan de patriarchale principes. In de matriarchale gedachte zijn alle mensen gelijk, allen kind van een moeder en allen Kinderen van Moeder Aarde. Een moeder houdt van alle kinderen in gelijke mate, ongeacht de prestatie. Het doel in het leven is het geluk van de mens en er is niets belangrijker, waardiger dan het menselijk bestaan in het leven. Het patriarchale systeem stelt hier tegenover het belang van de autoriteit van de vader en de staat. Hieruit volgt het principe van de bevoorrechte zoon in het gezin en de hiërarchie in de samenleving.
Of om Bachofen te citeren: “De moederliefde is niet alleen in grote mate teder, maar ook algemener en universeler… Haar beginsel is dat van universaliteit, terwijl het patriarchale dat van de restricties is…”.
Bachofen’s onderzoek leidde hem tot de stelling dat we onder de periode van patriarchale religie een oudere laag aantreien van matriarchale religie.
Om terug te keren naar Fromm, die plaatst de trilogie van Sophocles in het kader van de overgang van de matriarchale religie naar de patriarchale religie. Hij ziet de conflicten die in de drie tragedies “uitgevochten” worden als de strijd van de overwonnen matriarchale krachten tegen de patriarchale krachten. Oedipus moet in die zin gezien worden als een vertegenwoordiger van de matriarchale krachten.
Dit zien we sterk in hoe Antigone weigert de wetten van de Olympische goden te gehoorzamen. Kreon, de vertegenwoordiger van het autoritaire principe, moet haar verslaan. Het conflict komt tot een climax wanneer Kreon Antigone levend laat begraven. Kreon’s zoon Haimon heeft dan al de kant van Antigone gekozen. Kreon krijgt, na een interventie van ziener Theresias, spijt en probeert Antigone alsnog te redden. Hij is te laat, ze is dood. Haimon probeert daarna zijn vader te doden en wanneer dat mislukt neemt hij zijn eigen leven. Kreon’s vrouw, die dit hoort beneemt zich daarop ook het leven, haar man vervloekend. Kreon’s wereld stort in. En de bekentenis waarmee het stuk eindigt is volgens Fromm een teken van zijn erkenning van zijn morele bankroet.
En zo onderbouwt Fromm zijn hypothese dat Koning Oedipus, Oedipus in Kolonos en Antigone een commentaar met stellingname zijn op de overgang van het matriarchale tijdperk naar het patriarchale tijdperk.
—–
