Oedipus bij Freud

Studiemiddag Nederlands Psychoanalytisch Genootschap CG Jung
Amsterdam, 23 maart 2024

Door Arthur Eaton

Als ik aan het oedipuscomplex denk, dan moet ik altijd denken aan thee met zeepsop. Een goede vriend van me, een freudiaans analyticus, belde me ooit op, helemaal in zijn nopjes: ‘Arthur,’ zei hij, ‘het oedipuscomplex bestaat! Het bestaat écht! Mijn zoon heeft me net geprobeerd te vergiftigen.’ 

Wat was er gebeurd: zijn zoontje van een jaar of vier had hem tijdens een theekransje een kop thee met zeepsop geserveerd. Dat vind ik altijd een schattige illustratie – ook van het feit dat we als analytici altijd graag onze favoriete theorieën bevestigd zien. 

Op 15 oktober 1897 schrijft Freud aan zijn vriend Wilhelm Fliess: ‘de aantrekkingskracht van Oedipus Rex [het toneelstuk dus] is begrijpelijk. De Griekse legende grijpt ons zo aan omdat iedereen het verhaal in zichzelf kan herkennen.’ Historisch gezien gaat Freuds versie van het oedipuscomplex dus terug op zijn zelfanalyse, die zich grotendeels in dialoog met Fliess voltrok. 

Dat vind ik een mooi gegeven: dat het uiteindelijk Freuds eigen gevoelens en herinneringen waren die hem op het idee hebben gebracht. Het laat duidelijk zien dat generalisaties en theorieën uiteindelijk vaak uitdrukkingen zijn van iemands persoonlijkheid.

In 1922 schreef niemand minder dan Sigmund Freud zelf een lemma voor de Encyclopedia Brittanica over psychoanalyse. In dat lemma is een kopje ‘Oedipus complex’ opgenomen. Het is inhoudelijk niet bijster informatief, maar ik zal het toch even voorlezen, dan komt de oude baas zelf ook nog even aan het woord:

The most important conflict with which a small child is faced is his relation to his parents, the “Oedipus complex”; it is in attempting to grapple with this problem that persons destined to suffer from a neurosis habitually fail. The reactions against the instinctual demands of the Oedipus complex are the source of the most precious and socially important achievements of the human mind; and this probably holds true not only in the life of individuals but also in the history of the human species as a whole. The super-ego, the moral factor which dominates the ego, also has its origin in the process of overcoming the Oedipus complex.

Wat we hieruit opmaken is dat Freud in het oedipuscomplex niet alleen de oorsprong van de neurosen ziet, maar ook de verculturing van de mens. Zonder het oedipuscomplex geen cultuur, want cultuur gaat, zoals we weten, in het freudiaanse verhaal over verdringing. 

De meesten van jullie zullen het wel ongeveer voor de geest hebben, maar ik zal hier toch een korte schets geven van wat Freud de ‘simpele’ of ‘positieve’ variant noemde van het oedipuscomplex. Belangrijk om in ons achterhoofd te houden is dat Freud altijd benadrukt heeft dat iedere vorm van het complex ‘een simplificering en schematisering’ is van wat in werkelijkheid een ingewikkelde kluwe van identificaties en gevoelens moet zijn.

Zoals je kunt opmaken uit het lemma voor de encyclopedie, gaat het oedipuscomplex eigenlijk over de conflictuele relaties van het kind met zijn ouders in het algemeen. Maar die relaties nemen volgens Freud op een gegeven moment een specifieke vorm aan, namelijk die van een liefdesdriehoek.

Concreet betekent dat: het complex in zijn schematische weergave bestaat volgens Freud uit de liefdevolle én vijandige gevoelens die een kind heeft naar zijn ouders. In de ‘positieve’ variant gaat het dus om een verlangen – seksueel van aard, in de verbrede freudiaanse zin van het woord – naar de ouder van het andere geslacht. Dus van een jongetje naar zijn moeder, of een meisje naar haar vader. En vijandige gevoelens naar de ouder van het hetzelfde geslacht. Dus het jongetje naar zijn vader, het meisje naar haar moeder.

Het oedipuscomplex gaat, in essentie, over jaloezie, en het vermoeden: zij doen iets met elkaar waar ik niet bijhoor en waardoor ik ben buitengesloten. 

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, maakt Freud nooit helemaal duidelijk wanneer het complex precies wordt geactualiseerd en doorgewerkt, maar in zijn latere geschriften zien we dat hij het koppelt aan de fallische fase van de psychoseksuele ontwikkeling: dat wil zeggen, in de periode tussen het derde en het zesde levensjaar. 

Wat belangrijk om te onthouden is dit: het begin van het complex, dus het moment dat bijvoorbeeld het jongetje ‘seksuele’ (tussen aanhalingstekens) verlangens begint te krijgen naar zijn moeder, is het moment waarop de seksuele ontwikkeling van het kind verschuift van iets auto-erotisch (gericht op het éigen plezier, zoals dat wordt beschreven in de psychoseksuele stadia) naar iets object-gerelateerds (gericht op de ander). 

En het doorwerken ervan, dus het einde ervan, markeert een ander belangrijk moment, namelijk het moment dat het kind zich onderwerpt aan het gezag van de ouders, met alle verdringende gevolgen van dien. Dat betekent dat met het doorwerken van het oedipuscomplex de seksualiteit ‘ondergronds’ gaat, wordt verdrongen: de latentiefase breekt aan. Als gevolg ontstaat in de psychische structuur van het kind ook het superego: de verinnerlijking van de mores die de ouders het kind opleggen, en die zij op hun beurt weer ontlenen aan de maatschappij in het algemeen. 

Dus als het kind het oedipuscomplex ‘succesvol’ doorloopt, zegt Freud, ontstaat dus een gehoorzaam, gezagsgetrouw, hopelijk niet al te neurotisch, maar altijd een beetje neurotisch, individu’tje.

Dus hoe geeft een kind zijn verlangen naar de ouder op? Freud zou zeggen door angst, en in het jongetje is dit de angst voor castratie, wat, als je een beetje door je oogharen kijkt, eigenlijk de angst betekent voor de fysieke macht van de ouder van hetzelfde geslacht. In het geval van kleine meisjes is dit iets complexer, maar eindigt het ook in het opgeven van het idee dat ze een baby met vader kunnen krijgen.

In de puberteit laait al deze problematiek weer op, zou Freud zeggen, maar eindigt er hopelijk in dat het nu oudere jongetje zijn moeder als lustobject heeft opgegeven en een vriendinnetje uitkiest, en het meisje een eerste vriendje. Ook dan, in de adolescentie, ontstaat opnieuw het overwegen van de individuele verhouding tot machtsstructuren en gezagsdragers, zoals we allemaal weten. De rebellie van de adolescentie.

Kortom, het is nogal een normatief verhaal, dat oedipusverhaal van Freud. Niet alleen in seksuele zin: het verhaal heeft een ‘positieve’ afloop als het jongetje van zijn moeder houdt en vervolgens van meisjes, en het meisje als het van haar vader houdt en vervolgens van jongetjes. Dit zouden we een nogal heteronormatief verhaal kunnen noemen. Maar ook in maatschappelijke zin is het nogal een conservatief verhaal: de verculturing is geslaagd als het kind zich heeft onderworpen aan de mores van de ouders en de samenleving. 

Met dat laatste in ons achterhoofd is het interessant om te vermelden dat hoewel Freud het oedipuscomplex dus al langere tijd in zijn hoofd had zitten – tenminste sinds de brief aan Fliess in 1897 al –, dat veel van zijn teksten die we nu associëren met dat complex, bijvoorbeeld de Drie verhandeling over seksualiteit, ooit een versie hebben gekend waarin het complex helemaal niet voorkwam. Dus waarin het verhaal niet luidt dat de vrijuit meanderende driften van het kind onderworpen moeten worden aan het gezag van de ouders.

Er is dus in de laatste jaren een beweging binnen de freudiaanse psychoanalyse ontstaan die zich afvraagt: hoe zou freudiaanse psychoanalyse eruit zien als het oedipuscomplex daarin niet centraal stond? Een van de belangrijke theoretici van deze richting was de pas overleden Philippe Van Haute, een zeer gewaardeerde vriend en collega toen ik in België woonde, die samen met Herman Westerink de oorspronkelijke versie van de Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit heeft gereconstrueerd en gepubliceerd, dus zonder het oedipuscomplex. Die tekst vormt nu de basis van een minder gendernormatieve en subversieve interpretatie van de freudiaanse psychoanalyse die opgang vindt onder collega’s in binnen- en buitenland.

Ook is belangrijk om te noemen dat het in het freudiaanse verhaal nooit helemaal duidelijk is of het oedipuscomplex nu iets is dat fylogenetisch wordt overgedragen, en dus als een soort oervorm in ons onbewuste sluimert en slechts geactualiseerd hoeft te worden in relatie tot de concrete ouders, of dat het iets is dat ieder individu in zijn eigen persoonlijke geschiedenis moet doormaken. 

Dat heeft geleid tot nogal wat conceptuele verwarring, en ook nogal wat kritiek van bijvoorbeeld antropologen en sociologen, die erop wijzen dat de structuur van het gezin een historische ontwikkeling heeft doorgemaakt, en dat in andere culturen andere gezinsstructuren mogelijk zouden kunnen leiden tot heel andere complexvormen. 

Daar wilde ik het voor nu maar even bij laten. Ik hoop dat dat ons genoeg voer heeft gegeven voor een discussie.